Onderwijsisleuk

Educatieve kater

maart 17, 2019
door Rein Sybesma
Geen reacties

de kater van 15 maart

Daar stonden ze dan: 40.000 onderwijsmensen op het Malieveld in Den Haag, op 15 maart. Petjes, fluitjes, spandoeken en een hoop lawaai. En modder! Teken aan de wand.
Want welke illusie kun je hebben bij een derde onderwijsstaking? Staken voor minder werkdruk en meer salaris, terwijl er al heel wat geld naar het onderwijs toekwam… Terwijl ook politie, brandweer, defensie en al die andere publieke diensten meer willen…Terwijl zorg en pensioenen en klimaatafspraken op het wachtlijstje staan?

Natuurlijk heeft de overheid het onderwijs flink te pakken gehad. Al vanaf 1983, met de invoering van de HOS. Met het verdwijnen van de MO-opleidingsstructuur. Met de basisschool, WSNS, bemoeienis met inhoud van onderwijs, met het afnemen van arbeidsvoorwaarden als de interimregeling en de BAPO, met het intrekken van regelingen als spaarloon… Met het invoeren van Passend Onderwijs op een koopje…

Maar hebben de onderwijsbonden hierbij dan geen boter op hun hoofd? zaten zij niet steeds bij cao-onderhandelingen? Waarom wijzen zij steeds naar Den Haag?
En hebben we al die jaren ook niet steeds zelf staan toe te kijken?

Daar ligt ook de oplossing. Stop met toekijken. Modder niet langer aan. Wijs niet langer naar Den Haag. Kom voor jezelf op, in plaats van Den Haag te bezoeken.
Last van werkdruk? Stop dan met dagen die langer duren dan 8 uur.
Stop met taken die kinderen niet helpen. Doe geen administratie voor een ander, als het kinderen niet verder helpt. Werk niet in avonduren (de notaris, de huisarts en de dominee doen dat ook niet meer). Accepteer niet dat er bezoek in je klas zit, dat leidt maar af en geeft druk (ja, ook de inspecteur mag wegblijven). Je kunt vast aanvullen.

Oh ja: het helpt alleen als je met tenminste 100.000 man doet. Want daar zijn ze in Den Haag sterk in: verdeel en heers.

maart 2, 2019
door Rein Sybesma
Geen reacties

Drukte

Je kunt geen krant of vakblad open slaan of het gaat wel over werkdruk. In het onderwijs. vooral in het basisonderwijs.
Wat hebben we het druk, zo met elkaar. Over werkdruk. Is dat nu druk gedoe of gedoe over drukte?

Er zijn zo gemiddeld twee richtingen.
Er is een partij die het vooral heeft over ‘ervaren’ werkdruk, en dat die per persoon heel verschillend is. Je hoort dit soort taal vooral onder bestuurders, directeuren en dergelijke. Zo schuift men het probleem op het bordje van de individuele docent. Die vervolgens vroeg of laat of opstapt of met een burn-out thuis komt te zitten. Of de rest van zijn of haar carriere verzuurd klaagt over…. werkdruk. En leerlingen.
De andere partij klaagt over werkdruk. Door de week en in het weekend. Dat zijn dan meestal de ‘slachtoffers’, de docenten die klagen over werkdruk en… Ja, over die bestuurders en directeuren die er niets van snappen. Oh ja: en over de onderwijsinspectie.

Nu worden de klagers, de docenten, opgeroepen om op 15 maart weer op te trekken naar Den Haag. Staken. Staken om de minister duidelijk te maken hoe hoog de werkdruk is. Dan gaan daar in Den Haag de spandoeken in de lucht, fluitjes in de mond, en trekken we al zingend en dansend, met lachende gezichten, door de stad.

Nu is dat volgens mij wel het stomste om te doen.
Allereerst zal het bekende feestelijk vertoon niet echt de indruk wekken dat er sprake is van veel en vermoeiend werk. Eerder het tegendeel. Het zal eerder de gedachte aan een verlaat uitbarsten van carnaval doen denken.
Kijk. Als je nu eens allemaal in het zwart gekleed, met hoge hoeden op, beschreven grafkisten meezeulend (waarmee je aantoont dat onderwijs ten grave wordt gedragen): misschien dat je dan enige indruk nalaat bij het winkelend publiek en de NPO. Als dat al het geval is, want na 15 maart is het weekend, en zul je niets meer horen van die onderwijsstaking.

Er is nog een reden waarom het stom is. Je moet namelijk na 15 maart op de 18de gewoon weer aan de slag. Er is dan helemaal niets veranderd. Geen vermindering van werkdruk. In het voorgaande weekend heeft de minister lekker uitgeslapen en de pers gemeden, en het publiek heeft lekker gewinkeld en zo. Daar sta je dan maandag weer op je school; voordat je begint kun je het nog even fijn hebben over je ervaren werkdruk, en dan is alles weer zoals het de donderdag ervoor ook al was. Leuk uitje naar Den Haag. Op eigen kosten misschien, want de Onderwijsbond CNV doet niet mee (die praten nog met de minister, en dat zal vast weer uitruil van arbeidsvoorwaarden betekenen).

Stom is het, omdat het niets aan je werkdruk verandert. Je zult het zelf moeten doen, met je collega’s. Reken niet op de bonden (welke dan ook). Alles wat ze hebben bereikt in 25 jaar is WSNS, uitruil arbeidsvoorwaarden voor salaris, minder salaris, weg BAPO, weg interimregeling, etc.

Wil je minder werkdruk? Dan moet je minder doen voor je salaris.
Is je werk teveel voor 8 uur op een dag? Dan moet je werk schrappen.
Waarom moet jij in de avonduren communiceren met ouders? Doen de tandarts of de notaris dat ook met jou buiten werktijd?
Waarom zou je administratief werk doen dat niet bijdraagt aan de kwaliteit van je werk, of aan het leren van je leerlingen? Daar ben je toch voor aangesteld?
Waarom zou je op moeten komen draven voor vergaderingen in de avonduren, zonder dat de baas dat op een fatsoenlijke manier compenseert? Denk je dat werknemers in bedrijven dat ook doen?
Waarom prioriteer je met je collega’s niet wat belangrijker is: een feestje of sport met de leerlingen, of nutteloos administreren?
Waarom zou jij ’s nachts wakker moeten liggen voor een leerling, die niet goed past in het Passend Onderwijs op jouw school, terwijl je directeur, bestuurder en de minister er even lekker om doorslapen?

Als je klaagt over werkdruk moet je niet een ander vragen er wat aan te doen en ondertussen gewoon door buffelen. Dat helpt niet.
Een dagje staken helpt ook geen barst.
Spreek af met je collega’s wat er bij jouw professioneel werk hoort. Doe dat.
Weiger de rest tot je arbeidsvoorwaarden passend zijn gemaakt, en Passend Onderwijs is afgeschaft.
Daarover de volgende keer meer. In elk geval: mij zul je op 15 maart niet in Den Haag zien, en ook niet bij de stakers. Ik werk. En daarna ben ik op tijd thuis voor het toetje….

februari 10, 2019
door Rein Sybesma
Geen reacties

2019: jaar van de professie

Eindelijk: een mooie week voor het onderwijs en de onderwijsmensen….
Mijn week begon met de ontvangst van een blog van de basismeester, die duidelijk maakt dat ‘wij in het onderwijs’ best professioneel gedrag mogen vertonen om te zorgen dat werkdruk naar beneden gaat, hij stelt dat dat niet vanzelf gaat, en dat geklaag ook geen oplossing biedt. Helemaal mee eens!
Een tweede heuglijk feit: de CITO-eindtoets wordt niet opnieuw de enige graadmeter, zo sprak de Kamer in een motie uit.
Wat mij betreft pakken scholen ook hier weer de regie terug van de onderwijsinspectie (smeedt het ijzer, als…). Toetsing kan maar één doel hebben: weten wat de stand van zaken is, zodat goede keuzes voor het vervolg kunnen worden gemaakt. Die keuzes zijn breder dan extra rekenen, extra taal, extra spelling, extra lezen etc, zoals het nu vaak wordt toegepast.
Maar het goede houdt nog niet op.
‘De Luizenmoeder’ is gestart met het tweede seizoen. Zo konden we meteen al weer hilarisch om ons wereldje lachen.
En: zondag 10 februari een item in Nieuwsuur, waarin werd aangetoond dat het ouderwetse rekenen betere resultaten oplevert, er bleek zelfs een leraar te bestaan die er rond voor uit durfde te komen dat hij kinderen op de ouderwetse manier leerde rekenen. Gelukkig! Ook hier blijkt dat bemoeizucht van de overheid bestreden moet worden.

Heerlijk! Gaan we dan toch eindelijk onze ruimte op eisen? Doen wat we geacht worden te doen: goed onderwijs geven?

juni 28, 2018
door Rein Sybesma
Geen reacties

Nieuw inspectietoezicht…

Sinds enkele jaren weten we dat de onderwijsinspectie een nieuw toezichtskader heeft ontworpen. Hier en daar  is er eerst proefgedraaid, sinds 1 augustus 2017  is dit vernieuwd toezicht van start.
Mijn eerste verwachtingen waren hoog gespannen, immers: eindelijk zou het toezicht meer gericht worden op de ontwikkeling van leerlingen. Ontwikkeling in de breedste zin.

Ik ben bang dat ik mijn verwachtingen moet bijstellen. Naar beneden. Waarschijnlijk worden met nieuwe woorden oude beginselen uitgevoerd. Natuurlijk verandert er het nodige.
Het toezicht begint bij de besturen; zij moeten laten zien dat het systeem van kwaliteitszorg op orde is.
Scholen moeten nu in nieuwe schoolplannen ambities uitwerken, meer verbanden leggen, etc. etc. De norm voor basiskwaliteit is dat een bestuur en zijn scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen rond de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer.

En daarmee zijn we weer op het niveau van voor het vernieuwd toezicht, als is er dan één ding in elk geval wel anders: eerst is een bestuur aan de beurt, en mocht daar het nodige niet op orde zijn, dan kan de inspectie beslissen ook één of meerdere scholen bezoeken.
Maar: het blijft controle…

Ik waag het er maar op: de inspectie heeft niets geleerd van al die ‘Staat-van-het-Omderwijs’-rapporten. 20 jaar lang daalt de onderwijskwaliteit al langzaamaan (stelt de inspectie!); 20 jaar lang heeft het controlesysteem dus niet geleverd wat nodig was (in wiens ogen eigenlijk); nu worden de duimschroeven nog verder aangedraaid….

Dit gaat niet helpen. Niet tegen de stress van opbrengstendwang (alsof leerlingen kippen zijn die eieren moeten leggen, liefst zoveel mogelijk). Niet tegen de verslechteringen van die opbrengsten. Niet aan het gebrek aan werken aan talent. Niet aan kinderen die voor eigen bestwil niet in standaardklassen moeten worden gepropt.

Het gaat zeker wel wat opleveren:
– hoger ziekteverzuim bij leerkrachten
– meer thuiszitters, want steeds strenger op toetsen
– meer rapporten over de dalende kwaliteit.

Helaas moeten we nog jaren wachten op de eerste beoordeling van de onderwijsinspectie als geheel. Want ja: wie inspecteert de inspectie? Wie durft de juiste vragen te stellen? Onderwijsspecialisten in de Tweede Kamer? Laat ons niet lachten… De minister? Die wil waar voor zijn geld, in plaats van inspectie als hulp… De opleidingen, met hun vragen over een noodzakelijk curriculum voor de basisschool?

 

juni 27, 2018
door Rein Sybesma
Geen reacties

Dalende prestaties. Feiten of fabels?

De boodschap van het rapport is over de hele linie (wat betreft basisonderwijs) duidelijk: de prestaties dalen. Aan de hand van welke cijfers dat dan precies wordt vastgesteld? Want het is immers nogal een boude stelling te beweren dat de prestaties dalen, als je de referentiecijfers niet bij de hand hebt.

Om dat duidelijk te maken pak ik er maar een voorbeeld bij. Als ik de groei van het wagenpark wil weten, dan stel ik eerst vast wat het referentietijdstip is waarop ik ga meten, de zogenaamde nulmeting. Van dat moment af kan ik dan vaststellen of er groei of krimp is, in welke mate, en of er sprake is van fluctuatie in die groei. Natuurlijk snap ik dat dit wel een iets harder cijfer is, maar je begrijpt: zonder referentietijdstip en -maat is het moeilijk vast te stellen of er groei of krimp is.
Kijk ik naar de resultaten van het rapport, dan moet ik eerst hard zoeken naar dat referentieniveau; en daarnaast moet dat ook nog voor elk vak als hard niveau worden vastgesteld. Wel: waarschijnlijk kan ik niet zo goed studeren, want ik kan die keiharde basiscijfers niet vinden, en al helemaal niet eenduidig.
Wat ik wel weet is dat alle cijfers, die genoemd worden, gebaseerd zijn op steeds wisselende basiscijfers. Wie immers gaandeweg het onderzoeken de normen steeds aanpast weet op zeker moment niet meer wat gemeten en vergeleken wordt.
Voorbeeld? Laten we dan eens kijken welke M-toets groep 5 Rekenen/Wiskunde van CITO werd afgenomen in februari van het jaar 2007, en met welke normering de scores werden berekend. Vervolgens doen we datzelfde met de M-toets groep 5 Rekenen/Wiskunde van het jaar 2017.
Stel nu dat we de toets uit 2017 eens zouden berekenen met de score-tabellen van de toets uit 2007, welke score levert dat dan op? Zien we dan ook dezelfde trend van achteruitgang? Of is er geen verschil in wat we gemeten hebben? Dan hebben we met elkaar vastgesteld dat de verschillende normeringen geen verschillende waarderingen hebben
Of: is het niet mogelijk de toets van 2017 te berekenen met de scoretabellen van 2007? En als dat inderdaad niet zo is, waar baseert de inspectie dan de berekening van achteruitgang op?
Natuurlijk weten we in de praktijk best wat er gebeurd is. In de jaren ’90 van de vorige eeuw was het met het rekenonderwijs op de PABO’s niet best gesteld, met als gevolg dat twintig jaar later niet elke leerkracht een goede rekeninstructie kan verzorgen (en, inspecteurs, geloof me: je hebt de vaardigheid of je hebt die niet).
Vervolgens werd in het begin van dit millennium besloten realistische rekenmethoden in te voeren. Wat dat voor effect heeft op het basisniveau in groep 8 kan elke ervaren rot je vertellen. Een deling van 23.655.542 door 236 uit het hoofd is er tegenwoordig niet meer bij. (Is het niet de inspectie die besloten heeft een onderzoek te doen naar rekenonderwijs, maar daarbij niet te willen kijken naar realistisch rekenen?).
In 2014 werd besloten Passend Onderwijs in te voeren. Een ordinaire bezuinigingsoperatie, die vooral ten koste is gegaan van leerlingen, die beter en effectiever onderwijs hadden moeten hebben in kleine groepen, met veel meer aandacht voor hun specifieke belemmeringen. Nu is het effect dat veel van deze leerlingen langdurig in groepen verblijven waar ze in verdrinken, onvoldoende aandacht krijgen, steeds verder achterop raken, demotiveren (en misschien ook nog gedragsproblemen gaan vertonen). En: leerlingen die al lijden aan gedragsstoornissen hebben een negatief effect op de rest van de groep.

Laat ik nu dit soort feiten niet benoemd zien in dit rapport. De inspectie rept wel van het feit dat Passend Onderwijs nog geen succes is, maar onthoudt ons de negatieve gevolgen, net zo min als de andere zaken niet benoemd worden (dan wel versluierd). En: ik hoor het graag als ik onjuistheden poneer…. Reageer maar.

mei 27, 2018
door Rein Sybesma
Geen reacties

Trends in ‘Staat van het onderwijs 2018’

De staat van het onderwijs 2018… Eén van de conclusies in het rapport is dat de kwaliteit van het Begrijpend Lezen gestaag achteruit gaat.  Nu gaat de onderwijsinspectie er prat op dat ze in dit rapport ook trends signaleert. Wel, laten we er eens naar kijken…

Het rapport spreekt over segregatie (hoger opgeleide ouders kiezen ‘betere’ scholen met meer gelijk publiek), het feit dat een kwart van de basisschoolbezoekers een migratie-achtergrond heeft, etnische segregatie neemt af… Verder noemt de inspectie dat er verschillende eindtoetsen worden afgenomen. Zij noemt de eindtoetsen niet vergelijkbaar. Ze heeft wel onderzocht dat gemiddeld de CET- en IEP-eindtoets vaker wordt afgenomen bij leerlingen met hoger opgeleide ouders, dan de Route-8-toets. (Er wordt wel even bij gezegd dat de Route 8-toets vooral wordt afgenomen in Drenthe en Zeeland, zonder daar dan weer bij te vermelden dat dat niet de provincies zijn met een hoge mate van segregatie in publiek.)
De daling van resultaten van het leesonderwijs wordt als zeer zorgelijk genoemd, mede vanwege het effect op andere vakken. De genoemde cijfers op pagina 53 en 54 zijn wel duidelijk…..

Nog wat losvaste opmerkingen: lage leesmotivatie, vooral jongens minder goed in lezen, gemiddeld opleidingsniveau ouders is niet per definitie bepalend voor leesopbrengsten van een school, en daarnaast zal ik ongetwijfeld nog wel wat minder belangrijke zaken hier niet hebben genoemd.

Maar: het rapport gaat toch ook uit van trends? Dat zou je toch niet aan het onderwijsvolk moeten overlaten?

Als ik om me heen kijk, dan herken ik het gebrek aan motivatie dat door de inspectie genoemd wordt. Het klopt, begrijpend lezen wordt niet als leuk ervaren, zeker niet als je het vak op een eilandje zet. Dat is dan ook de reden dat steeds meer scholen zijn gaan werken met Nieuwsbegrip, een leesmethode die dan in elk geval probeert met teksten, die aansluiten bij de actualiteit, het lezen aantrekkelijker te maken. (Dat hier en daar de methode Nieuwsbegrip nu als potentiële oorzaak wordt genoemd voor het verslechteren van de opbrengst van leesonderwijs , is als de leraar die de methode de schuld geeft van het gebrek aan resultaat, zo gebeurde dat in menig personeelskamer ook met andere methoden).

Wat me verbaast is dat het hele rapport niet ingaat op trends die met het onderwerp te maken hebben. Ik noem er drie:

1. Al geruime tijd worden CITO-toetsen afgenomen in het basisonderwijs, waaronder Begrijpend Leestoetsen. Met enige regelmaat worden deze toetsen aangepast en onder een nieuwe naam uitgebracht. Wat dan tegelijkertijd ook gebeurt is dat de toestnormen naar boven worden aangepast. Wat mij nu verbaast is dat de effecten van deze normverhoging niet zichtbaar worden gemaakt. Dat roept de vraag op of er wel echt sprake is van slechter lezen, dan wel dat verhoging van normen tot gevolg heeft dat gemiddelde resultaten dalen.
2. Vanaf 2014 heeft het basisonderwijs te maken met Passend Onderwijs. De consequentie daarvan is dat leerlingen met leerproblemen langer op de basisschool blijven, en daar dus meedrukken op de gemiddelde onderwijsresultaten. Ook die van lezen.
3. Steeds meer kinderen hebben al vanaf heel jong een digitaal middel beschikbaar en spelen daarmee frequent games; deze middelen
boeien kinderen veel meer dan boeken en teksten. Daarnaast (en dat zal de inspectie bekend zijn) hebben ouders steeds minder tijd beschikbaar voor het voorlezen aan hun kinderen, en misschien ook wel minder interesse daarvoor (tenslotte is voorlezen aan een kind, dat jengelt om de iPad, geen pretje).
Scholen volgen vaak deze trend ook. Steeds vaker is een beeldscherm beschikbaar waarop teksten worden aangeboden.
Het spreekt voor zich dat minder lezen en doorgelezen worden effect heeft op de schoolprestatie. Immers: de woordenschat zal aanmerkelijk kleiner zijn. Uit onderzoek blijkt dat men van een tekst minstens 90 % van de woorden actief moet begrijpen.
In het boek ‘Digiziek’ waarschuwt prof. Manfred spier al in 2015 voor de negatieve gevolgen van beeldschermgebruik. In hoofdstuk 8 van zijn boek (de hoofdstuktitel is ‘Digitale kinderjaren: zonder zintuigen, zonder taal’) staat onder andere:
‘Kinderen die traditionele boeken voorgelezen kregen, onthielden de volgorde en details van de gebeurtenissen significant beter dan kinderen aan wie een e-book was voorgelezen’.
Wellicht is het zinvol dat de onderwijsinspectie de zaken klip en klaar benoemt, dan wel zwijgt en eerst serieus onderzoek doet, in plaats van slechts te kijken naar CITO-scores.Niets van dit al kan ik terugvinden in het rapport, en ik vraag me dan ook af:
– wat de waarde van dit rapport is als trends en oorzaken niet benoemd worden

– en conclusies niet bijdragen aan het oplossen van  problematiek

Volgende week: waarin ‘De staat van het onderwijs’ zich zelf tegenspreekt.

mei 14, 2018
door Rein Sybesma
1 reactie

Trends en stilte

Het rapport ‘De staat van het onderwijs’, dat in april 2018 door de Onderwijsinspectie is gepubliceerd wil (zoals dat in de inleiding op https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2018/04/11/rapport-de-staat-van-het-onderwijs wordt gesteld) ‘ een beeld schetsen’, een ‘foto tonen’, van ontwikkelingen op lange termijn in onderwijsland. Onder andere door trends in beeld te brengen.
Dat is een prima manier, die ik zelf in mijn werk ook gebruik. Trends helpen je om je weg te vinden, maar: soms wijzen ze ook op verkeerde besluiten….

Laat ik me nu maar beperken tot het primair onderwijs. Daar werk ik zelf, en durf ik me enig recht van spreken toe te kennen.

Als ik het rapport lees is de eerste trend die ik vaststel: er wordt door de onderwijsinspectie vaak uitgegaan van uit toetsen verkregen cijfermateriaal. Dat is een duidelijke trend in het rapport. Er wordt wel oppervlakkig iets gezegd over talenten die niet uit de verf komen, over thuiszitters, maar de trend is: de inspectie bouwt het dossier op op basis van door toetsen onderbouwde cijfers.

Vanuit het veld is dat tegelijkertijd een stevig kritiekpunt. In het primair onderwijs worden de door de inspectie gehanteerde cijfers opgebouwd op basis van een gestandaardiseerd toetssysteem. Er is in ons land één monopolist, als het gaat om zo’n gestandaardiseerd toetssysteem: CITO.
Dat systeem wordt door bijna alle scholen voor basisonderwijs gehanteerd, levert scores waarmee leerlingen onderling worden vergeleken, en wie verder kijkt dan zijn neus lang is kijkt ook nog naar deze scores in relatie tot het aantal maanden genoten onderwijs. En zo wordt een basisschoolleerling CITO-gecertificeerd, anders gezegd: het kind krijgt een ISO-keurmerk.

Wat gebeurt er nu in de praktijk van basisonderwijs? Laten we eens wat noemen:
– er zijn scholen die de leerlingen voorbereiden met oefentoetsen, en er zijn ook scholen die dat niet doen
– er zijn scholen die zich strikt houden aan de toetsvoorschriften van CITO (bijvoorbeeld het niet-voorlezen van teksten bij een Begrijpend-Lees-toets), maar er zijn ook scholen die dat juist (uit nobele overwegingen) in het geheel niet doen
– er is geen toetscontrole in de klas, anders gezegd: de toetsen worden afgenomen, maar er is geen zicht op het toepassen van formele werkwijzen, zoals bijvoorbeeld dat trage leerlingen geen hulp mogen krijgen tijdens de afname
– misschien is de grootste ergernis nog wel dat met regelmaat van de klok toetstabellen worden gewijzigd, en er hogere scores moeten worden gehaald voor eenzelfde resultaat. Omdat dat met regelmaat gebeurt levert dat in de praktijk het gevoel op dat je wel heel hard kunt werken, maar daarmee niet de garantie hebt op een beter toetsresultaat.

De trend die dat oplevert is een onderwijsinspectie die blind vaart op verkregen toetscijfers, waarvan de herkomst op z’n minst enige twijfel verdient. Maar het levert ons ook een rapport op dat ons kond doet van conclusies op basis van diezelfde cijfers, waarvan niet alleen de herkomst enige twijfel verdient, maar ons ook onvoldoende laat zien welk effect het veranderen van score-waardering door de jaren heen heeft op de conclusie dat de resultaten van ons onderwijs met de jaren langzaam verminderen.

Dat zou zich dan moeten aftekenen in de verwijzing van basisschoolleerlingen naar het VO… Daarmee heb ik meteen de volgende trend te pakken, die enig onderzoek verdient: hoe zit het met de adviezen aan groep-8-leerlingen voor het VO, hoeveel leerlingen in het VO dalen af en/of stromen op, wat zijn de trendmatige cijfers van VO-examenresultaten, hoeveel leerlingen stromen door naar MBO- HBO- WO? En wat kan dat zeggen over de kwaliteit van het onderwijs?

Ik ga op zoek naar die cijfers…..

mei 13, 2018
door admin
Geen reacties

De staat van het onderwijs

Op 11 april 2018 publiceerde de Onderwijsinspectie het rapport ‘De staat van het onderwijs’. Dat is niets bijzonders. De Onderwijsinspectie verblijdt ons Nederlanders elk jaar met zo’n rapport. Toch was er ook dit jaar weer ophef. De conclusies stemmen immers niet vrolijk. Er wordt ook gesteld dat de conclusies zijn gebaseerd op internationale onderzoeken in het basis- en voortgezet onderwijs.

Kijk maar mee:

  • De prestaties van leerlingen zijn de afgelopen 20 jaar geleidelijk gedaald
  • Vooral toptalent ontwikkelt zich minder
  • Steeds meer leerlingen van de basisschool blijken de laatste twee jaar onvoldoende goed te kunnen lezen
  • De kansen voor leerlingen en studenten zijn sterk afhankelijk van het opleidingsniveau van ouders en grote schoolverschillen
  • Segregatie langs opleidingsniveau en inkomen in het onderwijs neemt verder toe

Wat dan gelukkig wel goed gaat: wel zijn Nederlandse leerlingen gemiddeld goed opgeleid en ze vinden snel een baan. Dit is vooral ook een verdienste van het beroepsonderwijs.

Ondanks alle droefenis stelt het rapport dat (op dit moment) de jeugdwerkloosheid laag is en dat jongeren snel een baan vinden. Persoonlijk vind ik dat een conclusie die niet past bij de sombere conclusies, maar goed…

Een citaat uit het rapport: ‘De manier waarop het onderwijs en de overheden (lokaal en landelijk) gezamenlijk werken aan kwaliteitsverbetering werkt onvoldoende om deze trends te keren. Autonomie wordt door scholen onvoldoende benut en ingevuld. Te open overheidssturing leidt regelmatig tot vrijblijvendheid.’ 

Zo, de toon is gezet. Het is niet slechts een onderzoek naar de staat van, er is ook een conclusie. Als je die kort samenvat staat er eigenlijk: ‘het veld doet zijn werk niet’.
En daarmee is dan gezegd dat inspectie geen blaam treft; zij is slechts de brenger van de nare tijding.

Nu denk ik dat we dit rapport niet kunnen laten passeren. Als ‘onze leerlingen’ er in resultaat op achteruit gaan moet de onderste steen boven water komen. Als ‘onze leerkrachten’ niet hun stinkende best doen om niet alleen maar voldoende resultaat te leveren, maar topresultaat, dan moet er ingegrepen worden. Maar: is het wel juist dat de inspectie de bal bij het veld legt? En: als we het over trends hebben, moeten we dan niet eens allemaal op een rijtje zien te krijgen?

Ik ga het rapport nog eens uitgebreid doorspitten: op onderwijsresultaten per vak in het PO, op trends die zich de laatste twintig jaar hebben voorgedaan en hun eventuele effect op onderwijsresultaten, op onderzoek dat is gedaan naar deze trends; ik ga een poging doen onderwijsvernieuwingen in relatie te zetten met onderwijsresultaten; ik ga deze vragen ook voorleggen bij collega’s in het VO.
Ik ga ook niet om de vraag heen of de Onderwijsinspectie ook zelf een rol heeft gespeeld in deze neerwaartse resultatentrend. Daarover heb ik (bij het snel doorkijken van het rapport) zo gauw niets kunnen vinden, en dat verbaast ook.

Meedenken wordt op prijs gesteld. Mocht je een item hebben dat beslist genoemd moet worden, dan stel ik je bericht op prijs (waarbij je natuurlijk wel argumenteert en met cijfers ondersteunt).

In  mijn volgend bericht zal ik het hebben over trends, die volgens mij een resultaat spelen in de dalende resultaten (mocht daar al sprake van zijn). Verder ondersteun ik graag de vragen van anderen die bij de Onderwijsinspectie hebben gevraag naar een betere onderbouwing van de conclusies in het rapport: welke cijfers, welk internationaal onderzoek, hoe te vergelijken met Nederlandse cijfers, is er in het buitenland sprake van stijging of in Nederland sprake van daling, etc.). Want zo’n rapport moet immers deugdelijke resultaten bevatten…..

mei 13, 2018
door admin
Geen reacties

Noodkreet

Vandaag is het moederdag. Het is hier (op mijn blog) al een poosje stil. Dat heeft niets met moederdag te maken, maar met werkdruk. Nu, na de meivakantie, ben ik weer wat op dreef.

Noodkreet. Een luide roep klinkt in de vroege ochtend door mijn huis. Sleutels kwijt! Drie keer raden wie dat roept. Het is half acht en vrouwlief moet naar het werk. Maar: sleutels dus kwijt.
Nou is dat niets nieuws. Zo ongeveer twee keer per dag horen wij (mijn zonen en ik) dit aan. We worden er niet warm of koud van. Ik heb me laten vertellen dat dit ook een van de meest voorkomende problemen in de gemiddelde huishouding is: vrouw des huizes is sleutelbos kwijt.

Jaren geleden hebben zonen en ik gemeend op moederdag daar een passend cadeau voor aan te bieden: een sleutelkastje. Ik heb het zelf (na prijzende woorden en vriendelijke bedankjes) zelf opgehangen. Zodanig dat je het niet kunt missen. Als je de huisdeur binnenkomt (je hebt dan je sleutelbos nodig) valt je blik meteen op… Juist ja, het sleutelkastje.

Helaas. De sleutelbos verkeert vaker niet dan wel in het sleutelkastje.

Na drie keer de noodkreet ‘sleutels kwijt’ is het zover. Zonen en manlief zoeken mee op voor de hand liggende plekken. Schooltas, jaszakken, nachtkastje, kledingstoel, en natuurlijk het sleutelkastje. Helaas: geen sleutels. De reservesleutel van de auto brnegt uitkomst, en vrouwlief vertrekt.
Vijf minuten later gaat de telefoon. Sleutels gevonden. Toch in handtas. Zijvakje. Vergeten dat de sleutels daarin waren opgeborgen.

Vandaag hangen de sleutels weer niet in het sleutelkastje……

februari 4, 2018
door Rein Sybesma
1 reactie

Wat is dat: werkdruk….

Onderzoek doen. Onderzoek, mensen. Onderzoeken leidt naar oplossingen. En we weten toch hoe dat moet, in het onderwijs? Dat hebben we toch allemaal geleerd: onderzoeken is kijken, observeren, onbevooroordeeld de conclusies opschrijven en daar dan maatregelen aan knopen.
En nu, leraren, krijgen jullie zo maar 8.000,- euro op een presenteerblaadje aangeboden. Pas op, dat de schoolleider er niet mee aan de haal gaat: 8.000,-, zo maar. Nou ja, bijna. Je moet er eerst voor observeren, kijken, bevragen en dan een gedegen plan maken…. Maar toch: 8.000,-!!

Thuis doe ik niet anders dan kijken en observeren… Nou ja, bijna niet. Er moet immers af en toe ook een stofzuiger door het huis, en de bedden opgemaakt, en de afwas en… Goed, toe maar, niet laten afleiden.

Kijk naar mijn kat: Wifi. Kijk en verbaas je. Observeer. Pas op: val niet in slaap. Blijf kijken! Tsjonge, zo’n beest lijdt niet aan werkdruk. Voor zover ik het kan beoordelen, natuurlijk. Pak een mand of een doos, zet die neer in de ruimte waar de kat graag verkeert, en ik geef je op een briefje (na ettelijke uren en dagen van onderzoek): dat beest lijdt niet. Leidt ook niet.
In 95 % van de beschikbare tijd doet ze de volgende dingen:
– slapen
– uitrekken en verder slapen
– omdraaien en verder slapen
– wassen en verder slapen
– de benen strekken en een potje paalklimmen, om daarna uit te rusten met de ogen dicht
– uit het raam staren
– 5 minuutjes buiten temperatuur meten en daarna meteen de slaapbak in
– op de warme vensterbank rondhangen
– onder de warme televisie hangen.

Arie Slob, dat kost je helemaal niks, dit onderzoek! Daar heb ik geen vier ton voor nodig. Paar uurtjes voor observatie en conclusies trekken.

Moet je ook eens doen, Arie. Achterin de klas zitten en dan kijken en observeren. Gewoon: niks zeggen en kijken. Zie je, hoe gedreven onderwijsmensen zich uitsloven in klassen vol kinderen van allerlei afkomst en niveau, om ze vooral maar verder te helpen… Niet je onderwijsinspecteurs sturen, maar zelf gaan kijken.
Wat je dan ziet is mensen die geen tijd verspillen aan slapen, uitrekken, beetje hangen, uit het raam staren enz.
Ze gaan wèl een dagje staken. Dat is omdat jij uit je observaties niet effectief conclusies kunt trekken. Eigenlijk moet je gewoon weer terug naar school. Maar dat is dan weer niet goed voor onze werkdruk.

In elk geval, Arie, steek die 400.000,-voor 50 schoolwerkdrukplannen nu maar weer gauw in de pot en erken dat je er niks van wilt begrijpen…. Dat is fair.
Zo doet mijn kat ook. Die kijkt me ook alsof ze wil zeggen: kijk een andere kant op.